Home

(20.7.2013)  Ik erger me al een tijdje aan de sfeerschepping, als zou N-VA een anti-stedelijke of anti-Brusselse partij zijn. Eric Coryn, SP..A-schepen Ans Persoons,* noem maar op. Het zette me er toe aan iets algemeen te schrijven over stedelijkheid en Brussel. Het verscheen in Brussel Deze Week op 18 juli. Het kreeg extra cachet omdatr ik de week ervoor in Istanbul was, ook op het Taskimplein.

* een goede reactie op Ans Persoons vind je hier.

Hier de link naar het artikel, of je vindt de volledige versie ook hieronder. Bottom line is: Brussel heeft niet nood aan minder, maar aan meer stedelijkheid …

Lof der Stedelijkheid

Lof der stedelijkheid (2.0)

11 juli – Vlaamse feestdag. 18 juli – ‘the week after’. Hét moment om na te denken over onze hoofdstad. Die hoofdstad is in België de enige grootstad enigszins die naam waardig. Maar wat verwachten wij er van?

Van een grootstad verwachten we dat zij bruist. Met de ‘vrijmakende stadslucht’ die daarbij hoort, de onder- en bovengrondse vibraties van culturele en andere impulsen, van mensen die elkaar ontmoeten.

Grootsteden zijn ook centra waar mensen opgeleid worden en waar de economische bedrijvigheid arbeidsplaatsen schept. In grootsteden bloeit de cultuur en wordt geïnnoveerd. Zij zijn zowel op Europees als op wereldniveau de drijvende krachten van de maatschappelijke ontwikkeling.

Onlangs betoogde Christophe Degreef  in Brussel Deze Week (28 maart) terecht dat ‘de stad’ uiteraard niet beter is dan ‘het platteland’, ook niet minder, wel anders. Overigens is het hele gebied tussen Brussel, Gent en Leuven en Antwerpen één grote verstedelijkte ruimte.

Volgens Harvard-econoom Edward Glaeser maken steden ons “rijker, slimmer, groener, gezonder en gelukkiger”. Toch gebeurt dit niet ‘automatisch’. Glaeser haalt immers vele voorbeelden van steden aan die het niet goed doen omwille van slecht beleid.

Bovendien tekenen bepaalde evoluties zich het eerst af in de steden. Hier stellen de problemen zich niet alleen op grotere schaal maar ook het duidelijkst en het scherpst. De Brusselse cijfers inzake werkloosheid, armoede, verkeersopstoppingen, stadsvlucht zeggen genoeg.

De aanpak van die uitdagingen vergt niet zelden ingrijpende hervormingen. Die moeten evenwel gebaseerd zijn op duidelijke uitgangspunten. Geen principes zonder  (uitvoering) pragmatiek, maar ook geen beleid zonder te reflecteren over onderliggende principes.

Het formuleren daarvan is meer dan ‘woordkramerij’. Politiek is meer dan wetten stemmen. In de lijn van bepaalde filosofische theorieën stellen we dat politieke communicatie ook een politieke daad is.

1.

Brussel heeft net als elke stad problemen maar ook troeven. Onderzoekers stelden zich de vraag “waarom is het centrum van Parijs rijk en is het centrum van Detroit arm?” Volgens de theorie van Brueckner, Thisse en Zenou (geciteerd in een recente publicatie van het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse (BISA)) is één en ander het gevolg van het al of niet voorhanden zijn van voorzieningen. Zo trekken welgestelde gezinnen weg omdat zij in het centrum onvoldoende woonruimte vinden. Bovendien liggen de grondprijzen buiten Brussel gewoonlijk lager.

Mensen blijven enkel in de stad wonen wanneer zij daar kunnen beschikken over kwaliteitsvolle voorzieningen.

Dat kan gaan over natuurlijke voorzieningen (een rivier, de kust), historische voorzieningen (erfgoed, architectuur) en endogene voorzieningen, hetzij voorzien door private actoren (horeca,…) hetzij door de overheid (openbaar vervoer,…). Een buurt waar het aanbod van de privé-sector niet divers en kwaliteitsvol is, zal niet divers en kwaliteitsvol blijven. Buurten raken verloederd (Maria-Christinastraat, Anspachlaan, Zuidstraat …), of worden integendeel interessant omdat het aanbod verandert (Sint-Goriksbuurt).

Brussel kan enkel aantrekkelijk zijn wanneer de overheden kwaliteit bieden op het vlak van mobiliteit, huisvesting, kinderopvang en onderwijs. Dit alles vergt uiteraard een aangepast beleid van de overheid en efficiënt bestuur.

2.

In Brussel is dit bijzonder moeilijk omwille van de enorme versplintering over 19 gemeenten. Natuurlijk moet het beleid centraal aangestuurd worden, zoals in buitenlandse grootsteden. Dat lijkt zo evident, zeker aan Nederlandstalige zijde, dat het nauwelijks nog vermeldenswaardig is.

We zien heus wel dat Brussel niet homogeen is, noch cultureel, noch ruimtelijk. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is polycentrisch en kent meerdere centra – Brussel-stad met zijn grote markt is heus niet het enige centrum. Het centrum heeft zich uitgebreid (naar het Kanaal toe) en er zijn andere stadskernen, bijvoorbeeld de Europese wijk (rondom Schuman).

Net zoals in elke stad bestaat er in Brussel niet enkel een centrale stedelijke overheid, maar is er ook de dynamiek van verschillende buurten en wijken. Het BISA onderscheidt ca. 145 wijken. Bovendien spelen ook de huidige gemeenten nog steeds een rol naar de burger toe. Zo identificeert 36% van de Brusselaars  zich vooral met zijn gemeente.

De overheid moet daar rekening mee houden en op inspelen. Zo moeten de diensten van het gewest gemakkelijk bereikbaar zijn voor de inwoners van de verschillende wijken. En uiteraard moet zij zorgen voor kwalitatief openbaar vervoer en voor een samenhangend en doeltreffend veiligheidsbeleid in het hele gewest (het lijkt evident  maar is het niet in Brussel).

3.

Een stad is pas aantrekkelijk wanneer zij ook leefbaar is. De overheden moeten een leefomgeving creëren op mensenmaat. Dit vergt naast veiligheid en netheid ook betaalbare woningen en voldoende open ruimte.

4.

De bevolkingsdichtheid van een grootstad (in Brussel: 7.057 inwoners per m²) brengt het beste maar ook het slechtste van de mens naar boven. Zeker waar zoveel verschillende talen en culturen met maar ook even vaak naast elkaar leven. Onverschilligheid is dan nooit veraf en kan zelfs omslaan in vijandigheid.

De vrijheid en de anonimiteit van de stad mogen volgens ons niet verkeerd begrepen worden. Immers, ook het ‘sociaal contract’ van de stad berust op rechten en plichten en op consensus over de basisregels. Een maatschappelijk vacuüm laat te veel ruimte voor etnisch-religieuze sociale druk of obscurantisme.

Voorlopig is er geen nood aan het bezetten van een Brussels Taksimplein. Maar enige moed van Brusselse politici en intellectuelen zou niet misstaan in een stad waar religieus radicalisme (bijvoorbeeld het salafisme) aan een opmars bezig is. Brussel heeft net méér ‘stadslucht’ nodig – in sommige wijken is niet echt sprake meer van die vrijheid die ooit zo karakteristiek was voor Brussel.

Dus ja, ook onze Brusselse, stedelijke maatschappij heeft nood aan een minimum aan burgerzin, aan samenhorigheid, ja zelfs aan stedelijke fierheid en identiteit.

5.

Een rechtsstaat functioneert slechts indien de burger ‘zijn’ overheid en haar diensten vertrouwt en als ‘zijn’ overheid beschouwt. De Brusselaar zal het gezag van de overheid pas aanvaarden wanneer die overheid er effectief is voor alle burgers. Daarom moet die overheid niet alleen ideologisch en religieus neutraal zijn maar ook de institutionele realiteit eerbiedigen. Dit vereist onder meer zeer concreet dat in alle diensten al het personeel perfect tweetalig is. Enkel op die manier is een goed bestuur mogelijk.

6.

In Brussel leven ca. 180 verschillende nationaliteiten.  Sommige inwoners verblijven hier slechts tijdelijk, anderen willen hier een toekomst uitbouwen. Voor allen is Brussel immers een venster op België en op Vlaanderen.

Brussel is, als hoofdstad van Europa, dan ook niet enkel Vlaanderens venster op de wereld, maar ook het venster van de wereld op Vlaanderen.

Een toonbeeld van goed bestuur, een open onthaal en een zichtbaar aanwezige Vlaamse gemeenschap in Brussel, voor minder doen we het niet.

Omgekeerd zal ‘de’ Vlaming Brussel echter pas zien als zijn venster op de wereld indien Brussel effectief ook als zijn hoofdstad wordt aangevoeld. Een deel van de Brusselse identiteit bestaat er net in dat zij – uiteraard – de hoofdstad is. Van Vlaanderen en van Europa.

Samen met de Vlaamse Rand is Brussel het laatste gebied in België waar het communautaire conflict een territoriale component heeft. Brussel is nu eenmaal een buitenbeentje. Het gewest heeft een symboolfunctie als hoofdstad en als derde gewest, en is het enige gebied met een tweetalig statuut. De eindeloos verschillende interpretaties in beide publieke opinies over bijvoorbeeld de taalwetgeving én een – bewuste of onbewuste – houding van taalkundige dominantie blijkt niet enkel uit ronkende verklaringen en politieke spelletjes, maar laat zich ook voelen in een concrete realiteit.

Net omwille van Brussel zelf pleiten we daarom voor een hoofdstad met een doorleefde tweetaligheid: niet enkel op vlak van de taalwetgeving maar ook in elke vorm van beleid moet Brussel de hoofdstad zijn van en voor de twee ‘taalgemeenschappen’, moeten beide ‘taalgemeenschappen’ er zich thuis voelen.

Paul De Ridder is historicus, Brussels parlementslid (N-VA). Hij houdt van Brussel en Firenze.

Lieven De Rouck is filosoof, voorzitter N-VA Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hij houdt van Brussel. Hij verbleef begin juli voor het eerst in Istanbul en was meteen verliefd op die stad.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s